Het geven van tienden

In de wetgeving van het volk Israël is de regel vastgelegd dat iedereen 10% van de opbrengst van zijn werk naar de tempel brengt als inkomen voor de stam van Levi.  De Levieten hebben geen eigen grond omdat ze zijn uitgekozen voor de tempeldienst en daardoor kunnen ze niet in hun eigen inkomsten voorzien. (Leviticus 27:30; Numeri 18:26; Deuteronomium 14:24; 2 Kronieken 31:5) (Numeri 18:20-21)
Daarnaast worden de vreemdeling, de wees en de weduwe ervan onderhouden, omdat die ook geen eigen inkomstenbron hadden. (Deuteronomium 26:12)

Nadat hij God had ontmoet in een droom, “legde Jakob een gelofte af en zei: Als God met mij zal zijn en mij zal beschermen op deze weg, waar ik op ga, en mij brood zal geven om te eten en kleren om aan te trekken, en ik in vrede in het huis van mijn vader zal terugkeren, dan zal de HEERE mij tot een God zijn. Deze steen, die ik als gedenkteken overeind gezet heb, zal een huis van God zijn. En van alles wat U mij geven zult, zal ik U zeker het tiende deel geven.” (Genesis 28:20-22)
Dit gaat niet over rekeningen betalen of over wat moet van de wet. Het gaat ook niet over zegen krijgen door je netjes aan de regels te houden. Het gaat over God die jou zegent en dat je daar dankbaar voor bent. Het gaat over God die jou zegent, waardoor je tot een zegen kunt zijn. Dit is de belofte van God aan Abraham, Izaak en Jacob en aan alle gelovigen als kinderen van Abraham.
God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk. (2 Korintiërs 9:8)

Het is zaliger te geven dan te ontvangen (Handelingen 20:35)

God beroven

In Maleachi 3:8-10 wordt gesproken over God beroven door niet je tienden te geven. Dat wordt weleens letterlijk doorgetrokken naar vandaag, inclusief de belofte dat, als je je tienden aan de kerk geeft, de hemelsluizen voor je open gaan. Daarbij wordt dan niet gedacht aan regen, maar aan materiële zegen.
Maar, de profeet Maleachi heeft het niet tegen ons. Hij spreekt tegen het volk Israël, ongeveer 400 jaar voor de komst van Christus. Tekort aan voorraad in de tempel (de tienden en eerstelingen werden opgeslagen in voorraadkamers in de tempel) leidde ertoe dat de Levieten te weinig inkomen kregen en zich daardoor niet konden focussen op het onderwijs, de aanbidding, de offerdienst en de tempel, en dat de zwakken in de samenleving tekort kwamen. Hierdoor werd God beroofd.
Dat was trouwens niet het enige wat er aan de hand was in die tijd. Als je de rest van Maleachi leest, dan blijkt dat er een algehele minachting voor God was. Het niet volledig geven van de tienden was slechts een van de symptomen.
Het gevolg was dat God de hemelsluizen had gesloten, waardoor het letterlijk niet regende en dus de oogsten mislukten. Zo werkten de zegen en de vloek van de wet (Deuteronomium 11:13-18).

Als we het dus gaan hebben over tienden en hemelsluizen, dan is dit de context waarin we dat moeten doen. Het gaat over het structureel minachten van God door de kantjes er vanaf te lopen en te denken dat God dat toch niet merkt, en het gaat over de werking van zegen en vloek als onderdeel van het Oude Verbond.
Sinds Jezus de straf voor ons heeft gedragen, staan er geen sancties meer op overtreding, maar is er vergeving (Hebreeën 10:15-18). Er is daarom geen offerdienst meer nodig en geen bemiddeling door priesters.
God woont in ons en niet meer in de tempel; gelovigen hoefden dus niet langer een groot gebouw en een hele priesterkaste te onderhouden.
Wat wel bleef is de zorg voor vreemdeling, weduwe en wees. Je ziet in het Nieuwe Testament dan ook geen oproep om je tienden te geven, maar de gewoonte om te delen wat je hebt, zodat niemand tekort komt. (Handelingen 2:25, 11:28-30; Romeinen 15: 25,26; 1 Korintiërs 16:1-3; 2 Korintiërs 8:1-16).
De weduwe, wees en vreemdeling worden tegenwoordig voornamelijk door de overheid onderhouden en daar betalen we belasting voor. De dominees, pastores, voorgangers en andere betaalde krachten in de kerk kunnen we zien als hedendaagse Levieten. Onze gebouwen moeten net als de tempel onderhouden worden, dus een bepaald vast percentage van je inkomen is misschien Oud Testamentisch, maar wel degelijk weer van toepassing. Hoe meer je hebt gekregen, hoe meer je ook kunt geven.

Laat ieder zoveel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft. (2 Korintiërs 9: 7)

bronnen

Reacties zijn afgesloten.