Kent Jezus de dag van het Laatste Uur niet?

Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het. (Matteüs 24:36  )
 
Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader. (Marcus 13:32)

Jezus gebruikt het woord ‘weet’ in Matteüs 24:36 en Marcus 13:32 in de zin van ‘onthult’.

In Matteüs 24:36 en Marcus 13:32 vertelt Jezus zijn discipelen dat het geen deel uitmaakt van zijn missie om het moment van de dag van oordeel te onthullen. Hiermee ontmoedigt Hij zijn discipelen en ons om te vragen wanneer de dag van oordeel zal plaatsvinden. Jezus doet dit op een manier van spreken die zijn discipelen goed kenden en tevens begrepen kan worden door mensen die bekend zijn met de Bijbel. Na zijn opstanding, vertelt Jezus zijn discipelen dat zij de tijden en moment die door God zijn vastgesteld niet vooraf horen te weten (Handelingen 1:6-7).

Het Griekse woord ‘eido’ wordt in de Bijbel standaard vertaald als ‘kennen’ of ‘weten’ maar wordt in de Bijbel op verschillende manieren gebruikt en betekent in Bijbelse context soms ‘verkondigen’, ‘onthullen’ of ‘bekend maken’.
Augustinus van Hippo (kerkvader, 354-430) stelt dat ‘God weet’ geregeld dient uitgelegd te worden als ‘God onthult’.
Zie ook Strongs ‘Eido’: http://biblehub.com/strongs/greek/1492.htm
Bijvoorbeeld:
In zijn eerste brief aan de Korintiërs herinnert Paulus de Korintiërs dat hij tijdens zijn bezoek: “want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd”. (1 Korintiërs 2: 2). Hier wordt ‘weten’ gebruikt in de zin van ‘bekend maken’.
Het boek Genesis bevat het verhaal dat Abraham zijn zoon Izak zal offeren (Genesis 22: 1-19). In dit verhaal zegt de engel van de Heer tegen Abraham: Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden”. (Genesis 22:12). Hier wordt ‘weten’ gebruikt in de zin van ‘onthullen/bekend maken’. Tenslotte is God alwetend en wist Hij al dat Abraham ontzag voor Hem had.

Mensen hebben uiteraard geen kennis van wanneer de dag van oordeel zal zijn. Daarom, door te zeggen dat geen mens de dag of het uur weet/kent, waarschuwt Jezus zijn volgelingen tegen het proberen uit te vinden wanneer de oordeelsdag zal zijn en tegen het verkondigen van hun gissingen aan andere mensen. Hij vertelt ons ook om iemand te negeren die de tijd van de oordeelsdag verkondigt. In hetzelfde hoofdstuk van Matteüs zegt Jezus:
Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, dit is de messias,” of: “Daar is Hij,” geloof dat dan niet.
Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. Let op, Ik heb jullie dit van tevoren gezegd. Wanneer ze dus tegen jullie zeggen: “Kom mee, Hij is in de woestijn,” ga er dan niet heen, of als ze zeggen: “Kijk, Hij is daarbinnen,” geloof dat dan niet.
Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen.
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt. Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken.
Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.
(Matteüs 24:23-27, 42-44; zie ook Markus 13:21-23, 32-37)

Jezus heeft volledige kennis van de tijd van de oordeelsdag. De Bijbel vertelt ons dat alle dingen zijn gemaakt door Jezus Christus, de Zoon en het Woord van God (Johannes 1: 1-3, 14-18; Kolossenzen 1: 15-17; Hebreeën 1: 1-2). Dit betekent dat alle tijden door Hem gemaakt zijn, inclusief de dag van het oordeel. De Bijbel vertelt ons ook dat Jezus Christus degene is die alle mensen zal oordelen (Matteüs 25: 31-46; Johannes 5:22, 27-29; Handelingen 17:31). Aangezien de dag van oordeel door Jezus is gemaakt en Hij de rechter zal zijn op die dag, is het vanzelfsprekend om te stellen dat Hij volledig kennis heeft van wanneer die dag zal zijn.

Ook Jezus discipelen kennen Jezus alwetendheid toe:
Nu begrijpen we dat u alles weet en dat niemand u iets hoeft te vragen, nu geloven we dat u van God bent gekomen. (Johannes 16:30)
En voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. (Johannes 21:17)

Een andere verklaring wordt gegeven door Matt Slick van de website www.carm.org:
Jezus is zowel God als mens (Johannes 1:1,14; 20:28; Kolossenzen 2:9), en tijdens zijn bediening in Jeruzalem had hij te maken met de beperkingen als mens. Als mens liep en sprak Jezus. Als God werd Hij aanbeden (Mattheüs 14:33; 28: 9; Hebreeën 1: 6), werd tot Hem gebeden (Zacharia 13:9; 1 Korintiërs 1:2), enz.
Tijdens zijn aardse bediening verplaatste Jezus zich door de kracht van de Heilige Geest en deed Zijn wonderen door de Heilige Geest en niet door Zijn eigen goddelijke kracht. Dit komt doordat Hij een korte tijd lager was dan de engelen (Hebreeën 2:9) en zichzelf ontledigde (d.i. afstand deed van zijn hemelse heerlijkheid) en de gestalte van een mens aannam (Filippenzen 2:7). Daarom zei Hij dat hij de dag of het uur van zijn terugkeer niet kende.
Maar we zien dat na de opstanding van Jezus Christus dat er van Hem gezegd wordt dat Hij alle dingen kent (Johannes 21:17) en dat Hij Almachtig is (Matteüs 28:20). Dus na zijn opstanding en verheerlijking kende Jezus wel degelijk alle dingen.

bronnen en meer informatie

Reacties zijn afgesloten.