Psalm 137

Waarom spreekt de psalmist in Psalm 137 over het doden van kinderen?

Psalm 137
Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij treurend en dachten aan Sion.
In de wilgen op de oever hingen wij onze lieren.
Daar durfden onze bewakers te vragen om een lied, daar vroegen onze beulen: ‘Zing voor ons een vrolijk lied uit Sion.’
Hoe kunnen wij zingen een lied van de HEER op vreemde grond?
Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn hand de snaren vergeten.
Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven als ik niet meer denk aan jou, als ik Jeruzalem niet stel boven alles wat mij verheugt.
Gedenk, HEER, de dag van Jeruzalems val, toen het volk van Edom zei: ‘Neer met die stad, neer, maak haar met de grond gelijk.’
Babel, weldra word je verwoest. Gelukkig hij die wraak zal nemen en jou doet wat jij ons hebt gedaan.
Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert.

Heel Psalm 137 is een gedicht in de vorm van een wraakgebed uit verdriet en boosheid omdat de Joden door de Babyloniers waren weggevoerd en door hen (en de Edomieten) werden mishandeld, bespot en gekleineerd. Babylon verdiende het in de ogen van ballingen te worden behandeld zoals het zelf behandeld heeft. De dichter vraagt hier of God hen met gelijke munt wil vergelden. Ten diepste wordt hier de zaak in Gods hand gelegd i.p.v. zelf wraak te nemen.
Vergelijk het met de christen in het Midden Oosten die door moslims vervolgd wordt, wiens kinderen en vrouw door hen werden misbruikt, levend werden begraven, onthoofd, gekruisigd, etc. die dan uitschreeuwt of God hen hetzelfde wil laten overkomen als zij hem behandeld hebben.

Bronnen en meer informatie

Reacties zijn afgesloten.